Aaf van Essen trad recentelijk terug als coördinator van de ontwerpafdeling van het Sandberg Instituut, de post-doctorale opleiding van de Gerrit Rietveld Academie. In haar werk als begeleider van studenten, en daarvoor als hoofd verpleegkundige van een grote kliniek in Amsterdam Zuidoost, is ze er altijd mee bezig geweest hoe je door de ontmoeting met anderen ontwikkelingen in gang kunt zetten.
Onnadrukkelijk leiderschap
Ik interesseer me voor het onnadrukkelijke leiderschap: hoe krijg je mensen bij elkaar en breng je op een subtiele wijze de moter aan de gang. Je hebt een hele boel manieren om jezelf zichtbaar te maken in je omgeving. Door hoe je beweegt, door hoe je werkt, dat alles vormt de ‘gestalt’ die je aan anderen laat zien. Daar kan een aanmoediging van uitgaan naar anderen om meer te vertellen.
Vaak kan dat rondom alledaagse dingen die toch gedaan moeten worden, zoals eten. Dat blijken de momenten te zijn waarop er intense uitwisseling plaatsvindt. Maar als het niet gebeurd, is dat niet jammer. Dan is het gewoon niet gebeurd. En dan zal je volgende keer gewoon met elkaar moeten gaan zwemmen, of wandelen langs het strand.
Die houding om anderen aan te moedigen is er dus niet zozeer op gericht om het onderste uit de kan te krijgen, zo van ‘er moet een verhaal achter deze persoon zitten, dus ik hou niet op met peuren tot ik dat boven tafel heb’. Maar ik ben wel nieuwsgierig, en er daarom steeds bezig om de voorwaarden te creëren waarin een bijzondere ontmoeting kan ontstaan. Zonder dat er teveel de nadruk op ligt.
Kareltje Knipoog
Jarenlang heb ik in de leiding gezeten van kinderkamp De Grote Beer op Terschelling. Je hoeft aan kinderen niet te vragen ‘wat heb je vandaag gedaan op school?’, dat werkt helemaal niet. Maar je leert dat het wel werkt om met ze naar zee te gaan, of grote vuren te maken. Als we kinderen iets uitleggen, zitten ze op de kist met daarin al hun spulletjes. Daardoor voelen ze zich zeker genoeg om deel te nemen aan het kringgesprek. En we introduceren een kleine romanfiguur, Kareltje Knipoog, waardoor in die groep rond het verhaal van Kareltje een intimiteit ontstaat. Die elementen vormen het fundament waardoor soms unieke dingen gebeuren. De leiding bestaat uit vrijwilligers, sommigen gaan al vierenveertig jaar mee. De verklaring daarvoor is dat er iets te beleven valt, wat kennelijk ergens anders niet zo vaak gebeurt.
Ontwikkelen en bijslijpen
Aan de start van mijn loopbaan dacht mijn moeder ‘laat ze maar verpleegster worden’, en mijn vader, een romantische man, dacht ‘laat ze maar edelsmid worden’. Het kon allebei, en het verschil is ook niet zo groot. Een juweel maken is niet iets totaal anders dan in een ziekenhuis de verpleging ontwikkelen en bijslijpen zodat het een creatie wordt.
Ik ben in les gaan geven aan de verpleegkundige opleiding aan het AMC, waar ik voorbeelden uit de literatuur en kunst gebruikte als een ingang om beter naar patienten te leren kijken. Wie is dit, wat is zijn of haar achtergrond, hoe zit hij of zij in elkaar, wat kan ik daaraan bijdragen? Vanuit de universiteit van Heidelberg was midden jaren zestig een kritische verpleegkundige beweging op gang gekomen, die verpleegkunde als professie erkend wilde hebben. Ik voelde me daardoor aangesproken, want de relatie tussen verpleegkundige en patient ervaarde ik als een samenwerking. Jij verzorgt iemand, maar in de context van een nauw samenspel met degene die verzorgd wordt, en niet zozeer vanuit een machtspositie.
In het Wilhelmina Gasthuis was destijds een grote groep studenten en verpleegkundigen, die zich met die Heidelbergse opvattingen bezighielden. Het leek mij een goede kans om het vak verder te ontwikkelen. Steeds meer kreeg ik het gevoel dat ik niet die artistieke zuster wilde blijven, met ‘leuke ideetjes’ maar het vak ‘maatschappelijk’ wilde maken. Ik woonde een aantal van hun bijeenkomsten bij. Daar ontdekte ik al snel dat het bij de vervnieuwwerds van groot belang is de ontw niet voor ee kleine harde kern exclusief te houden, maar de aanstormende nieuwkomers snel te betrkken in de ontwikeelingen. een exclusieve coterie was, die nieuwkomers niet snel toeliet.
Nadat het AMC zo’n vijf jaarop gang was, vond ik het tijd om mijn creatieve belofte in te lossen. Op mijn zesenveertigste ben ik naar de Rietveld Academie gegaan, en werd ik coördinator bij het Sandberg Instituut.
Iets met internet
Ik begeleid nu nog studenten in Eindhoven. Daar constateer ik dat de docenten toegewijd zijn, en aardig en goed, en die studenten ook, maar toch zit er een soort ‘lek’ in zo’n opleiding. Er miste iets als cement tussen al de geledingen van de academie.
Dan denk ik, ik ga een verhaal voorlezen van Kapuscinski, over en autotocht in Afrika. Ik denk daar niet gestructureerd over na. Als het goed gaat, ontstaat er een geweldig soort deining. In plaats van iets persoonlijks te zeggen over elke student afzonderlijk, heb ik bij de diploma-uitreiking voorgelezen. Soms merk je pas jaren later dat zoiets effect heeft gehad.
Dat is ook gebeurd met een opmerking die ik maakte toen ik net op de Rietveld werkte. Ik coördineerde de avondschool, en het internet zoemde daar op de een of andere manier rond. Op de afdeling ontwerpen was er een behoorlijke weerstand tegen nieuwe media. Er zaten een paar goede maar traditionele ontwerpers, die niet veel op hadden met die nieuwe technologieen. In die tijd werden er ook net drie nieuwe vrouwelijke docenten aangesteld. Ik vond dat zij een enorm potentieel uitstraalden en wilde daar een constructie omheen verzinnen. Het leek mij belangrijk om ze een bijzondere positie te geven. Niet dat ze dat zelf niet konden, maar ik zag vanaf een afstandje dat het goed zou zijn als zij een geheel vormden. Daardoor zou ik steunpunten hebben op de ontwerpafdeling, die de nieuwe ontwikkelingen konden dragen. ‘Moeten we niet iets doen met internet?’ vroeg ik ze.
Op mijn afscheidsreceptie herinnerde ontwerpster en docent Mieke Gerritzen er aan dat die opmerking van mij belangrijk was geweest voor de ontwikkeling van nieuwe media ontwerp als serieuze discipline.
Het bedenken van nieuwe constructies vind ik leuk, of het nou gaat om opleidingen of mensen. Eigenlijk ben ik een bouwer, die op het onnadrukkelijke leiderschap nastreeft als een te beleiden kunst.
Nieuwgierigheid als drijfveer
Ik heb laatst bij De Bouwmeester een individueel gesprekkenreeks afgesloten die goed had uitgepakt. Ik wilde de deelneemster die ik had begeleid graag in contact brengen met mijn netwerk. Een van hen werkt in de Sociale Geneeskunde, en de ander in de geautomatiseerde Sociale Dienst sector. Op zo’n hele doodse plek, die heel bureaucratisch is, heeft zij heel goede dingen weten te ontwikkelen. Ik heb voor die drie vrouwen gekookt, en hoopte dat er een soort intensiteit zou ontstaan in hun uitwisseling. Eten is dan een domein waarin je na mag denken, en op vondsten stuit.
Mijn drijfveer is nieuwsgierigheid: hoe doe je dat in al die processen? Of het nou studenten zijn die getraind moeten worden om onderzoek te gaan doen, of hoe je je in zo’n log apparaat als de Sociale Dienst staande weet te houden.
Ik kan er op vertrouwen dat waar ik ook heenga, er altijd dingen zullen ontstaan. Mijn kracht ligt in het bij elkaar brengen van mensen om een gezamenlijke gevoelde inhoud te realiseren, waar dat dan ook over gaat. Het kan zijn in het Palestina committee, met jonge Marokkaanse vrouwen. Ik kan ervan uitgaan dat alles wat ik met mensen onderneem lukt. Haast heeft het niet, want er zit altijd een stuk van mijn leven in, van mijn werk of mijn overtuiging.